Is vroeg specialiseren echt zo’n boosdoener als men zegt?

Vroeg specialiseren. Het is de afgelopen jaren alles behalve in populariteit gestegen. Je hoort namelijk veel geluid om jonge sporters niet vroeg te laten specialiseren, maar juist breed op te leiden. Dit statement staat volgens mij als een huis. Maar waar praten we eigenlijk over? Wat bedoelen we met vroeg specialiseren en wat weten we daar – wetenschappelijk gezien - écht over? In deze blog lees je meer over de wetenschappelijke onderbouwing achter de claims die worden gemaakt.

Specialisatie versus diversificatie

Laten we beginnen bij het begrip specialisatie. Hoewel er geen universele definitie bestaat voor sport specialisatie (kom ik later op terug), wordt het meestal beschreven als “het hele jaar door intensief trainen in één enkele sport waarbij deelname aan andere sporten is uitgesloten”. Dit staat lijnrecht tegenover sport diversificatie (of breed opleiden) dat staat voor het deelnemen aan zoveel mogelijk sporten en activiteiten.

Als we het hebben over het behalen van de top in een bepaalde sport, is het duidelijk dat specialisatie op een bepaald moment noodzakelijk is. De discussie tussen specialisatie en diversificatie gaat dus niet over óf er gespecialiseerd moet worden, maar wanneer dat moet gebeuren. Is dat al op jonge leeftijd of pas als de sporter ouder is? Hier komt het woordje “vroeg” dus om de hoek kijken.

Om daar een antwoord op te geven, kijken we naar twee dingen: leidt vroeg specialiseren tot betere prestaties (ja of nee?) en geeft vroeg specialiseren verhoogde risico’s op negatieve uitkomsten (ja of nee)? Met deze vragen zijn wetenschappers uit verschillende disciplines aan de slag gegaan.

 

De discussie tussen specialisatie en diversificatie gaat niet over of er gespecialiseerd moet worden, maar wanneer.

 

Twee perspectieven over vroeg specialiseren

De discussie omtrent vroeg specialiseren versus breed opleiden kun je bekijken vanuit twee perspectieven: het “prestatieperspectief” en het “ontwikkelingsperspectief”:

 

1. Het prestatie perspectief

Vanuit het prestatie perspectief neemt men aan dat vroeg specialiseren het optimale pad is om de top te behalen. Die notie leidt onder andere terug naar het onderzoek van Anders Ericsson en collega’s. Deze groep wetenschappers pleitten dat de verschillen in prestatie tussen individuen te verklaren zijn door verschillen in kwaliteit en kwantiteit van training.

Met oog op kwantiteit komen we dan al snel uit bij de welbekende 10.000 uren regel als minimale eis om de top te kunnen behalen. Daarnaast maakt de kwaliteit van al dat trainen uit. Het type training dat uitgevoerd moet worden, omschrijft deze groep als “deliberate practice”: een activiteit dat cognitieve en/of fysieke inspanning vereist, de juiste ontwikkeling van vaardigheden stimuleert en als doel heeft de prestatie te verbeteren.

Belangrijk detail in de vroeg specialiseren trend is dat wetenschappers beweren dat hoe eerder je dit doet, hoe verder je uiteindelijk kan komen. Sporters die later beginnen met deliberate practice, kunnen de opgelopen achterstand in dit type training namelijk niet meer in halen.

 

2. Het ontwikkelingsperspectief

Als we het allemaal eens waren geweest met het prestatieperspectief, hadden we natuurlijk geen discussie gehad. Vanuit het ontwikkelingsperspectief wordt namelijk gesteld dat prestatiegerichte theorieën (zoals het deliberate practice framework) belangrijke psychosociale factoren en factoren rondom ontwikkeling en motivatie negeren. Vroeg specialiseren zou dan ook negatieve gevolgen kunnen hebben zoals blessures en burn-out. Het ontwikkelingsperspectief stelt dan ook dat er alternatieve wegen naar de top zijn. Het meest prominente theoretische framework dat dit illustreert is het Development Model of Sport Participation van Jean Côté en collega’s (2007).

In het Development Model of Sport Participation worden twee verschillende routes naar de top uitgelegd: die van vroeg specialiseren én die van sampling (breed opleiden / diversificatie). Aanhangers van het ontwikkelingsperspectief pleiten voor de route van sampling. Met sampling bedoelen we dat het kind deelneemt in meerdere sporten en activiteiten. Die sporten en activiteiten bestaan vooral uit “deliberate play” in plaats van deliberate practice. Pret en plezier staan voorop en vormen een belangrijke bouwsteen voor de periodes die daar op volgen (specializing en investing).

 

De grote vraag is nu natuurlijk: wie heeft gelijk en welk perspectief is het beste?

 

De wetenschap over vroeg specialiseren

Hoewel het verleidelijk is om een opsomming te schrijven over de mogelijke nadelen van vroeg specialiseren en mogelijke voordelen van breed opleiden, ga ik dat niet doen. En als je nu denkt, waarom zegt ze geen mogelijke voordelen van vroeg specialiseren of mogelijke nadelen van breed opleiden, is dat omdat ik merk dat daar te weinig over wordt gesproken in de literatuur. De studies zijn naar mijn idee een beetje scheef verdeeld en berusten ook op veel oude onderzoeken.

De afgelopen 20 jaar zijn er vanuit verschillende organisaties en bonden zogenaamde “position statements” verschenen die fel adviseren tegen vroeg specialiseren. Wat ik al zei: het concept van vroeg specialiseren is niet meer zo populair. Zo’n sterke consensus lijkt te wijzen op een helder en eenduidig bewijs dat vroeg specialiseren schadelijk is en moet worden vermeden. Maar niets is minder waar. Als we iets verder kijken dan die ingenomen standpunten, zien we dat het bewijs tégen vroeg specialiseren helemaal niet zo robuust is als men doet voorkomen. Dat blijkt onder andere uit de recente review van Alexandra Mosher en haar collega’s (2020).

Alexandra Mosher en haar collega’s onthullen met hun studie de zwakke plekken in de discussie over vroeg specialiseren. De grote lijnen van die zwakke plekken zijn wel bekend, maar hoe dat zich uit in de brede, wetenschappelijke literatuur was onbekend.

Eén van die zwakke plekken is het feit dat er weinig studies zijn die die expliciet de gevolgen van vroeg specialiseren hebben onderzocht. In plaats daar van bestaat de literatuur vooral uit reviews, commentaren en editorials die vorige onderzoeken herhalen. Maar de absolute achilleshiel is het gebrek aan een universele definitie van vroeg specialiseren.

 

De absolute achilleshiel in de discussie over vroeg specialiseren is het gebrek aan een universele definitie.

 

De inconsistentie in de definitie van vroeg specialiseren maakt het lastig te bepalen wat wel of niet onder vroeg specialiseren valt. Sommige wetenschappers definiëren vroeg specialiseren als “het hele jaar intensief trainen in één enkele sport waarbij deelname aan andere sporten is uitgesloten”. Ja inderdaad, dat is precies hetzelfde hoe ik net sport specialisatie als algemene term heb omschreven. Anderen zeggen juist dat het moment waarop iemand zich gaat focussen op één enkele sport belangrijker is. De één suggereert dat het juist draait om het type training (bijvoorbeeld deliberate practice), terwijl de ander de leeftijd waarop je start en betrokken bent in competitieve sport als belangrijk kenmerk ziet.

Je merkt het al: héél veel verschillende benaderingen. En zonder een consistente benadering over vroeg specialiseren is het onmogelijk om te bepalen of het echt zo schadelijk is voor sporters als men claimt. Maar misschien nog belangrijker: het gebrek aan een duidelijke definitie maakt het verbeteren van sportprogramma’s moeilijk. Het is namelijk onduidelijk welk element van specialisatie negatieve consequenties kan veroorzaken. Is het bijvoorbeeld de intensiteit van training, de leeftijd waarop training/competitie begint of de nadruk op winnen dat zorgt voor overtraining, burn-out en drop-out?

 

Het onderzoek van Alexandra Mosher en collega’s (2020)

Wat onder vroeg specialiseren wordt verstaan, is dus verre van glashelder. Hoe kunnen we dat beter begrijpen? Allereerst is het handig om in kaart te brengen wat er over geschreven wordt. En dat is wat Alexandra Mosher en haar collega’s hebben gedaan. Zij deden een systematisch review om het type onderzoek, de kenmerken en algemene inhoud rondom dit thema vast te stellen. Daarnaast keken ze ook naar hoe vroeg specialiseren wordt gedefinieerd en gemeten.

Het bijzondere aan deze review is dat niet alleen data-gedreven studies zijn meegenomen. Ook reviews, editorials en commentaren werden geïncludeerd. Dat maakt dat uiteindelijk 129 studies zijn geanalyseerd. Daar zitten dus ook studies bij waar geen metingen zijn gedaan. Als we naar de resultaten kijken van deze systematische review, vallen een aantal dingen op:

 

1. Data-gedreven studies zijn in de minderheid

Het onderzoek laat zien dat een groot deel van de discussie gevoerd wordt op basis van veronderstellingen die niet met harde cijfers zijn onderbouwd. Opvallend is dat er meer reviews, editorials en commentaren zijn verschenen (56 studies) dan data-gedreven studies die expliciet gericht zijn op vroeg specialiseren (48 studies). De wetenschappelijke onderbouwing op basis van data rondom vroeg specialiseren blijft dus achter.

Laten we ter illustratie even inzoomen op een veelgehoord argument tegen vroeg specialiseren: het verhoogde risico op blessures. Slechts 14 studies hebben naar de relatie tussen deze twee gekeken. Maar 5 van de 14 studies hebben vroeg specialiseren “gemeten”. Hetzelfde magere bewijs geldt voor de burn-out kwestie.

 

2. De begrippen vroeg specialiseren en specialisatie liggen op één hoop

Het klinkt als een open deur maar een belangrijke stap in onderzoek naar vroeg specialiseren, is weten wat we bedoelen met “vroeg”. Ik vond het bizar om te lezen dat slechts 25 studies de term “vroeg” in hun definitie van vroeg specialiseren hebben omschreven. Slechts 12 studies maakten gebruik van dezelfde leeftijdsgerelateerde maat (vroeg betekende hier “jonger dan 12 jaar”).

Het probleem is dus dat er nauwelijks onderscheid is gemaakt tussen vroeg specialiseren en specialiseren an sich. En als dat wel werd gedaan, betekende de ene “vroeg” iets anders dan de andere “vroeg”. Dat betekent dat we simpelweg niet weten of nu specialiseren op zich zelf voor negatieve gevolgen zorgt, of dat het ligt aan de leeftijd waarop je specialiseert.

 

Het klinkt als een open deur, maar om vroeg specialiseren te onderzoeken moeten we wel weten wat we met “vroeg” bedoelen.

 

3. De manier waarop we vroeg specialiseren meten is niet eenduidig

In de data-gedreven studies werden sporters ingedeeld als vroeg specialist of laat specialist. De manier waarop dat gebeurde, verschilde per studie. In totaal werden 18! manieren gevonden om dat te doen.

Meer dan 30% van de studies gebruikte een methode (Sport Specialization Scale) waarvan men de validiteit in twijfel trekt. Dat betekent dat we niet met zekerheid kunnen zeggen of deze methode überhaupt geschikt is om vroeg specialisten te onderscheiden van sporters die niet vroeg specialiseren.

Ongeveer 20% van de studies gebruikte slechts één vraag om er achter te komen of iemand vroeg specialiseert. De vraag is natuurlijk of slechts één vraag zo’n ingewikkeld concept (waar we dus nog steeds geen definitie van hebben) wel kan vattten. Daarbij komt ook nog dat verschillende methodes, verschillende eindresultaten geven. Bij de ene methode rolt er dus een andere uitkomst over vroeg specialiseren uit dan bij de ander. Niet heel sterk dus.

 

4. Er is geen overeenstemming over de definitie van vroeg specialiseren

De vorige twee punten hebben natuurlijk alles te maken met de definitie van vroeg specialiseren. We wisten al dat die onduidelijk was, maar de review laat zien hoe ernstig en inconsistent het daadwerkelijk is.

De onderzoekers codeerde de 129 definities van vroeg specialiseren aan de hand van zes kenmerken. Die kenmerken waren: het hele jaar door; intensieve training; één enkele sport; uitsluiting van andere sporten; deliberate practice en start leeftijd.

Slechts 20% van de studies definieerde vroeg specialiseren volgens de “gebruikelijke” definitie met de 4 componenten (“het hele jaar door intensief trainen in één enkele sport waarbij deelname aan andere sporten is uitgesloten”).

Het meest voorkomende individuele component van vroeg specialiseren was “het deelnemen in één enkele sport” (73,6%). Het minst voorkomende individuele component was “een grote hoeveelheid aan deliberate practice” (9,3%). Slechts 30% van de studies benoemen iets over “jonge leeftijd” als onderdeel van hun definitie van vroeg specialiseren. En als je denkt dat het niet erger kan: 17% van de studies sprak over vroeg specialiseren zonder een duidelijke definitie te geven.

 

Vroeg specialiseren: geen vriend maar ook geen vijand?

Vroeg specialiseren is een gevoelig onderwerp, vooral als het gaat om talentontwikkeling. Dit thema laat wederom zien dat het vaak makkelijker is om een standpunt in te nemen, dan het daadwerkelijk wetenschappelijk te onderbouwen. Toch klinkt het geluid van “position statements” tegen vroeg specialiseren hard door. Het feit dat bijna alle “position statements” dezelfde boodschap hebben, maakt dat ik zelf altijd een beetje voorzichtig wordt. Een scheve verdeling in literatuur is voor mij een reden om nog kritischer te kijken.

Er wordt dus hard geroepen om niet vroeg te specialiseren. Toch blijft het onduidelijk waarom sommige wetenschappers zo snel tot deze conclusie komen. Vooral als je bedenkt dat er helemaal geen duidelijke definitie en methode is om atleten in te delen als vroeg specialist. Daarnaast hebben we het mogelijke schadelijke mechanisme achter vroeg specialiseren ook nog niet kunnen duiden. In die zin lijkt het wel alsof we achterstevoren zijn begonnen met dit topic. Voor je claims kunt maken, moet je weten waarom vroeg specialiseren een mogelijk voor- of nadeel is. En voor je dat weet, moet je weten wat vroeg specialiseren inhoudt en hoe we het kunnen meten. Hoe je het ook wendt of keert, dat weten en kunnen we nog niet.

 

Het lijkt wel of we achterstevoren aan deze discussie zijn begonnen.

 

Wat ik dus naar voren wil brengen, is dat er te weinig wetenschappelijk bewijs is om de sterke en concluderende claims over vroeg specialiseren te onderbouwen. Let op: dat betekent niet dat ik automatisch een voorstander ben van vroeg specialiseren. Want andersom geldt het net zo goed! We kunnen ook niet zeggen dat er géén risico’s vast zitten aan vroeg specialiseren.

Daarnaast lijkt het soms net alsof dit topic is uitgespeeld. De discussie is gesloten en het oordeel “vroeg specialiseren is een no go” is geveld.  Maar hoe kunnen we tot een conclusie komen als de mogelijke voordelen en risico’s van vroeg specialiseren (en breed opleiden) nog een open vraagstuk zijn? Kunnen en moeten we niet terug naar neutraal gebied? Naar een toon waar vroeg specialiseren geen vriend, noch vijand is?

 

Hoe kunnen we tot een conclusie komen als de mogelijke voor- en nadelen nog een open vraagstuk zijn? Kunnen en moeten we niet terug naar een neutraal gebied?

 

Wat moet de sportpraktijk met vroeg specialiseren?

Misschien ben je nu een beetje in de war en denk je, wat moet ik hier nu mee? Dat begrijp ik. Daar heb ik zelf ook last van. Wat ik je zou willen meegeven is wat ik mezelf meegeef. Ga terug naar neutraal terrein als het gaat over de discussie rondom vroeg specialiseren. Probeer de mogelijke voor- en nadelen eens zonder oordeel van twee kanten te bekijken. En zoek niet alleen naar bewijs dat één van de twee kanten in een goed of kwaad daglicht zet.

Tot slot hoop ook dat je dit hoort: ik zeg niet dat vroeg specialiseren goed of fout is. Ik zeg alleen dat het niet vast te stellen is op basis van de studies die zijn gedaan. Wat we wel weten is dit: de mogelijke consequenties van (vroeg) specialiseren liggen altijd op de loer. Ook als je breed opleidt, zijn overtraining, burn-out en drop-out dingen om voor uit te kijken. En als we het hebben over de optimale weg naar de top? Simpel. Laat plezier leiden. Dan win je altijd.

 

Mosher A, Fraser-Thomas J and Baker J (2020) What Defines Early Specialization: A Systematic Review of Literature. Front. Sports Act. Living 2:596229. doi: 10.3389/fspor.2020.596229

 

Op de hoogte blijven wanneer een nieuwe blog online staat? Kijk dan even hier.

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email