oog van de coach

Hoe goed is het oog van de coach?

Ken je dat gevoel? Die prikkende ogen vanaf een zijlijn of tribune? Coaches en scouts die elke beweging in zich opnemen om vervolgens wat op een scoreformulier te noteren. Of andersom, dat je als coach of scout door ouders en collega’s constant in de gaten wordt gehouden wat je wél en niet op schrijft over een desbetreffende sporter. Wat zien zij? Wat zie jij? En het meest belangrijk: wie ziet het goed?

Het oog van de coach

Het oog van de coach is misschien wel de meest voor de hand liggende manier om nieuw talent op te sporen. Coaches staan dicht bij de sporter en zijn betrokken in het veld. Laat ze kijken bij trainingen en wedstrijden en ze komen geheid met een hoop interessante informatie terug. Maar hoewel het oog van de coach een veelgebruikte methode is in het herkennen van talent, kleeft er een uitdaging aan vast. Want de ene coach is de ander niet. Niet elke coach heeft dezelfde filosofie, wat betekent dat deze aanpak tot een mogelijke (onbewuste) bias kan leiden. Coach 1 vindt misschien een bepaalde techniek helemaal het einde, terwijl Coach 2 het helemaal niks vindt. Desalniettemin weegt “wat de coach ziet” zwaar mee in de besluitvorming over wie wel of niet wordt geselecteerd.

 

Van subjectieve beoordelingen naar objectieve beoordelingen

Als sportclub of sportbond kun je dus maar beter coaches hebben die weten waar ze naar moeten kijken. Uiteraard in het belang van de sporter met grote dromen en ambities. Want wat we ten alle tijden willen voorkomen is dat we sporters die de potentie hebben om de top te behalen over het hoofd te zien. Die opdracht is zeker niet eenvoudig en als je dat weet te systematiseren, ben je heel goed bezig. Eigenlijk wil je dus twee dingen. Ten eerste wil je weten wat het oog van de coach precies “ziet” als talent wordt herkend. Waar wordt naar gekeken, waarom wordt daar naar gekeken en hoe wordt dat beoordeeld? En ten tweede – en nog belangrijker – : klopt het? Kijken ze naar de goede dingen? En is het oog van de coach in staat om die dingen juist te beoordelen?

Sportwetenschappers staan natuurlijk te trappelen om dit beter te begrijpen. Ze willen hun vinger leggen op welke strategieën coaches en scouts gebruiken in het effectief herkennen van talent. Tegelijkertijd zijn ze druk bezig met het ontwikkelen van toegepaste testen en praktijkgericht onderzoek in een poging om de onderliggende prestatiebepalende factoren van een bepaalde sportprestatie te meten. Een interessante vraag is natuurlijk wie het nou bij het rechte eind heeft. Welke methode werkt beter in het herkennen van talent? De subjectieve beoordeling van de coach of de meer objectieve benadering vanuit testen?

 

Wat zegt de wetenschap tot nu toe?

Wat in ieder geval als belangrijk punt naar voren komt, is om tijdens het proces van talentherkenning naar meerdere factoren te kijken. In plaats van je alleen te richten op fysieke kenmerken zoals lichaamsbouw en uithoudingsvermogen neem je bijvoorbeeld ook technische en mentale skills mee in je optelsom. Voor coaches die zich bezighouden met het selecteren van junioren, is het goed om te onthouden dat fysieke kenmerken op jonge leeftijd nog wat minder belangrijk zijn. Dit zijn factoren die nog veel kunnen veranderen zodra de sporter gaat groeien. Ook wordt aangemoedigd om voor teamsporten rekening te houden met de speelpositie. Gooi dus niet alle verdedigers en aanvallers op één hoop, maar vergelijk verdedigers met verdedigers en aanvallers met aanvallers.

 

Het onderzoek van Dughale en zijn collega’s

Tot nu toe zijn nog niet veel onderzoekers in staat geweest om binnen één studie zowel objectieve als subjectieve methoden met elkaar te vergelijken. Eén van de weinig studies waarin dat wel is gedaan, is het onderzoek van Dughale en zijn collega’s. Zij bekeken in hoeverre de subjectieve beoordelingen van voetbalcoaches overeenkwamen met de daadwerkelijke scores op fysieke testen van hun voetbalspelers. Daarnaast bekeken ze ook in hoeverre de subjectieve beoordelingen van hoofd- en assistent coaches met elkaar overeen kwamen.
In dit onderzoek deden 80 jeugdspelers mee tussen de 10 en 16 jaar. Alle spelers waren verbonden aan een jeugdopleiding en speelde op het hoogste niveau in Schotland. De spelers werden ingedeeld in zes leeftijdsgroepen (onder 11 tot en met onder 17) en per leeftijdsgroep werden een assistent coach en de hoofdcoach gerekruteerd.

Om de fysieke kwaliteiten te bepalen, voerden de spelers 5 fysieke testen uit. Dit waren de Yo-Yo intermittent Recovery Test Level 1 (uithoudingsvermogen), de Counter Movement Jump (power), de Functional Movement Screen (bewegingskwaliteit), een 5m en 20m sprint test (snelheid) en metingen om de lichamelijke rijping te schatten (fysieke ontwikkeling). De testen die werden uitgevoerd behoren tot een reguliere testbatterij die geregeld in het voetbal wordt afgenomen (zowel bij jeugd als senioren). Voordat de spelers de fysieke testen ondergingen, beoordeelden de hoofdcoaches en assistent coaches de 5 gemeten fysieke kwaliteiten van iedere speler in hun team op basis van wat zij hebben gezien in training en wedstrijden. Ze beoordeelden uithoudingsvermogen, power, bewegingskwaliteit, fysieke ontwikkeling en snelheid op een 5-punts Likert schaal (slecht – onder gemiddeld – gemiddeld – heel goed – excellent).

 

Klopt het oog van de coach?

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de coaches goed in staat waren de “beste” en “slechtste” spelers van elkaar te onderscheiden. Dat is op zich goed nieuws. Deze bevinding ondersteunt (in principe) de methode om ratings en rankings van coaches te gebruiken om talent te herkennen. Maar je voelt hem misschien al aankomen: er is ook minder goed nieuws. De coaches waren niet goed in staat om alles tussen “excellent” en “slecht” in te schatten. Met andere woorden: een voetballer die volgens de coach “heel goed” is als het aankomt op bijvoorbeeld uithoudingsvermogen, liet in zijn testresultaten “onder gemiddelde” scores zien. En andersom: een voetballer die volgens de coach “onder gemiddeld” is in bijvoorbeeld power, liet in zijn testresultaten “heel goede” scores zien.

Daarnaast viel het op dat hoofd- en assistent-coaches het over het algemeen redelijk-tot-wel degelijk met elkaar eens waren. Een echt “bijna-perfecte” overeenstemming werd niet gevonden. Het punt dat ik eerder aanhaalde over dat de ene coach kwaliteit X aan een speler geweldig vindt en de andere coach totaal niet onder de indruk is, gaat dus zeker op. Vooral als er geen eensgezindheid bestaat over wat bijvoorbeeld wordt verstaan onder kwaliteit X. Als dit vaag en onduidelijk is, wordt het ook heel lastig om overeenstemming te vinden in een beoordeling van een sporter.

 

Het oog van de coach in combinatie met objectieve beoordelingen

Al met al laat dit onderzoek zien dat in een groep met veel niveau verschil, het oog van de coach goed functioneert. Echter, kijkend naar groepen die qua niveau dichter bij elkaar liggen (en waar je dus minder uitschieters hebt die óf heel goed, óf helemaal niet goed zijn), zien we dat het oog van de coach tekort komt. Dat betekent niet dat de scores verkregen uit de fysieke testen het wél bij het rechte eind hebben. Absoluut gezien kan een sporter beter zijn maar ook testen kunnen een vertekend beeld geven, helemaal als ze gericht zijn op fysieke kwaliteiten die nog veel veranderen door groei en rijping. Om je methode om talent te herkennen zo “waterdicht” mogelijk te maken, is het dus aan te raden om zowel subjectieve als objectieve methoden te gebruiken. Want waarom zou je of-of doen, als het ook en-en kan?

 

Tips voor in de praktijk

Ben je coach of heb je te maken met het opstellen van een selectiebeleid? Dan heb ik drie tips voor je.

  1. Ga alle mogelijke kwaliteiten na waar je talentvolle sporters aan zou kunnen herkennen. Maak een lijst en ga vervolgens eens in gesprek met tenminste één collega-coach binnen je eigen club of bond en één collega-coach binnen een andere sport. Controleer jezelf tijdens deze gesprekken of je neigt terug te vallen op bepaalde kwaliteiten (heb je een bias of verscholen voorkeur?). Bedenk of deze kwaliteiten te maken kunnen hebben met groei en rijping of daar relatief los van staan.
  2. Maak je lijst met kwaliteiten kraakhelder en zo meetbaar mogelijk. Laat geen ruimte over voor eigen interpretatie. Iemand anders moet meteen kunnen begrijpen wat de maatstaven zijn. Stel dus heldere definities op van wat bijvoorbeeld wordt verstaan onder een “goed uithoudingsvermogen”.
  3. Kijk of je ten minste voor de helft van de kwaliteiten op je lijst een dubbele evaluatiemethode kunt hanteren. Evalueer sporters op deze kwaliteiten dus volgens zowel subjectieve methoden (oog van de coach) én objectieve methoden (testen in het veld).

 

Mocht je vragen hebben of een keer willen overleggen, stuur mij dan gerust een berichtje!

Op de hoogte blijven wanneer een nieuwe blog online staat? Kijk dan even hier.

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email