Talent, wat is dat?

Ik zit in de trein en spits mijn oren. Een gesprek voor me trekt mijn aandacht. Het gaat over talent. Twee mannen bespreken de voetbalprestaties van – ik vermoed – twee jonge voetbalspelers die ze trainen. Beiden spelen in de selectie van de plaatselijke voetbalclub. De vraag is wie nou eigenlijk meer “talent” heeft.

Het zet me aan het denken. Talent is een fascinerend begrip. Met het grootste gemak bestempelen we iemand al dan niet als “talent”, terwijl de betekenis van het woord bijzonder complex is. Want hoewel bijna iedereen een bepaald idee heeft over talent, vinden we het lastig als we het precies moeten omschrijven. “Wat maakt dat nou uit, we snappen toch wat mensen bedoelen?”, hoor ik je denken. Voor sommigen zal dat ook genoeg zijn, maar degenen die te maken hebben met buitengewone prestaties, willen weten wat de top onderscheidt van de rest van het veld. En hoe kunnen we dat begrijpen, herkennen en begeleiden als we niet precies kunnen uitleggen wat talent is?

 

Nature versus Nurture

Een kijkje in de Van Dale bevestigt dat het definiëren van talent geen makkelijke vraag is. Achter het woord talent staan maar liefst drie omschrijvingen:

ta·lent (het; o; meervoud: talenten) 1(Bijbel) bep. gewicht aan goud of zilver 2 natuurlijke begaafdheid; = aanleg 3 iem. met veel aanleg

De eerste kunnen we wegstrepen en uit de tweede en derde kunnen we concluderen dat talent iets te maken heeft met aanleg. Deze opvatting is in de negentiende eeuw ontstaan toen Francis Galton het wetenschappelijke onderzoek naar talent startte. Hij was gebrand te bewijzen dat talent bestond en in zijn onderzoek gebruikte hij voor het eerst de stamboommethode om vast te stellen of mensen die buitengewoon presteerden familie waren van andere mensen die dat ook deden. Zijn conclusie: uitzonderlijke prestaties in verschillende domeinen (zoals politiek, religie, oorlog, wetenschap, literatuur, kunst, muziek en sport) kunnen worden toegeschreven aan inherente vaardigheden. Talent is aangeboren.

Wetenschapper Alphonse de Candolle had hier zijn twijfels over. Hij presenteerde onderzoek dat het belang van omgevingsfactoren aanduidde en loste daarmee het startschot voor het welbekende nature-nurture debat. Dit debat verwijst naar de tegengestelde overtuigingen of de kenmerken en het potentieel van een individu 1) aangeboren is (nature en niet te veranderen) of 2) uitsluitend het product is van ervaringen (nurture en wel te veranderen). Tientallen jaren hebben onderzoekers zich bezig gehouden met het pleiten voor het één (nature) of het ander (nurture), maar inmiddels zijn velen van mening dat het beter is om die strijdbijl te begraven. Het is tijd voor een nieuw perspectief, één die nature en nurture verbindt in plaats van scheidt.

 

Weet waar je over praat

De wetenschap is dus zo ver om te erkennen dat talent in combinatie werkt met omgevingsfactoren en niet kan worden gedefinieerd in de afwezigheid daarvan. Zowel genen als omgeving (en de interactie tussen deze twee) zijn nodig voor het talent dat volgt. Maar hoe zit dat in de praktijk? Hoe vaak wordt talent vanuit slechts één van deze twee perspectieven omschreven in plaats vanuit een samenwerking tussen kenmerken die relatief stabiel zijn en kenmerken die kunnen veranderen? Waarschijnlijk vaker dan we zouden willen. De definitie van talent in de Van Dale is hier een direct voorbeeld van.

De manier waarop we denken over talent, de oorsprong en hoe het zich kan ontwikkelen maakt uit. Het heeft invloed op de doeltreffendheid van talentprogramma’s die we bedenken en uitzetten, maar nog veel belangrijker, het heeft invloed op degenen die te midden staan van die talentprogramma’s. Hoe je talent definieert, heeft dus gevolgen voor het herkennen en ontwikkelen van talent.

 

Waar gaat het nou echt om?

Maar wat gebruikt de wetenschap dan zelf als definitie? Over het algemeen definieert de wetenschap talent op dit moment als het individueel vermogen (ofwel potentieel) voor bepaalde prestaties. In mijn eigen onderzoek vertaalt zich dat naar het volgende: een talentvolle sporter presteert beter tijdens training en competitie dan zijn leeftijdsgenoten én heeft de potentie om de top te halen.

Potentieel – iets dat de mogelijkheid tot verwezenlijking heeft – lijkt dus het sleutelwoord in de definitie van talent te zijn. Volgens mij is dat precies waar de definitie van talent en talentprogramma’s om zouden moeten draaien. Minder focus op wat nu is maar meer focus op wat in de toekomst zou kunnen. En laten we dan vooral niet vergeten dat zowel genen als de omgeving daar een rol in hebben.

Bron: Simonton DK. 2017. Does Talent Exist? Yes! In Baker J, Cobley S, Schorer J, Wattie N, (Eds.), Routledge Handbook of Talent Identification and Development in Sport (pp. 44-56). London: Routledge.

Op de hoogte blijven wanneer een nieuwe blog online staat? Kijk dan even hier.

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email