Geboortemaand effect: dit is wat je moet begrijpen

Het is oneerlijk, hardnekkig en een plaaggeest in de sport. Ik heb het over het geboortemaand effect. Je geboortemaand kan namelijk – als het even tegen zit – een factor zijn die van invloed is op je sportieve ontwikkeling en uiteindelijke prestaties. En dat is zuur. Want als je ergens geen invloed op hebt, dan is dat het wel. Of je nu bekend bent met dit fenomeen of niet, deze blog is het lezen waard als je wilt begrijpen hoe je het geboortemaand effect moet tackelen.

 

 

De onvermijdelijke indeling in leeftijdsgroepen

In bijna alle sporten worden kinderen ingedeeld in leeftijdsgroepen. Die indeling in leeftijd maken we omdat het eerlijk en praktisch is. Stel we doen dat niet, dan voetballen jongens van 11 ineens tegen jongens van 16. Je hoeft niet te hebben gestudeerd om te bedenken welk team dan altijd wint. Maar binnen leeftijdsgroepen kunnen ook verschillen ontstaan. Soms wel tot bijna 12 maanden. Het onvermijdelijke gevolg van het maken van leeftijdsgroepen is dan ook het ontstaan van de zogenoemde “relatieve” leeftijd. Binnen een leeftijdsgroep kunnen kinderen relatief ouder of relatief jonger zijn ten opzichte van elkaar.

Voorbeeld

In het zwemmen is 31 december de datum die gebruikt wordt om kinderen in te delen in leeftijdsgroepen. In het Engels noemen ze dat meestal de “cut-off date”. Alle kinderen die op 31 december 12 jaar zijn, vallen in de leeftijdsgroep 12 jaar en zullen dat seizoen tegen elkaar zwemmen. Dat betekent dat kinderen die geboren zijn op 1 januari – in vergelijking met kinderen die geboren zijn op 31 december– 364 dagen ouder zijn. Ga maar na: het kind dat op 1 januari is geboren is, wordt in dit geval 1 dag na de “cut-off date” 13 jaar terwijl het kind dat op 31 december geboren is, dan net 1 dag 12 jaar is. Een aanzienlijk verschil. Toch zwemmen zij wel tegen elkaar want ze vallen beiden in de leeftijdsgroep 12 jaar.

 

Wat is het geboortemaand effect?

Wat heeft het indelen van leeftijdsgroepen te maken met het geboortemaand effect? Nou aardig wat. Het geboortemaand effect komt namelijk voort uit de wisselwerking tussen iemand zijn geboortedatum en de datum die gebruikt wordt om leeftijdsgroepen te maken. We spreken van het geboortemaand effect als de geboortedata binnen een bepaalde sportpopulatie (tegen de verwachting in) scheef zijn verdeeld. Daarbij zijn relatief oudere kinderen meestal in het voordeel. Waarom dat zo is, lees je verderop.

Een voorbeeld van het geboortemaand effect is een selectieteam waarin meer kinderen zitten die geboren zijn in de eerste drie maanden van het jaar ten opzichte van kinderen die geboren zijn in de laatste drie maanden van het jaar. In zo’n geval spreken we van een over representatie van kinderen die geboren zijn in het eerste kwartaal.

Wat belangrijk is om te onthouden is dat:

  1. iemand zijn relatieve leeftijd een mogelijk voor- of nadeel kan zijn voor de verdere ontwikkeling van de sportprestatie.
  2. het geboortemaand effect het sterkst werkt wanneer de relatieve leeftijdsverschillen in een sportpopulatie het grootst zijn (tijdens puberteit), maar tot volwassen leeftijd kan stand houden.
  3. het geboortemaand effect directe effecten met lange-termijn gevolgen kan hebben.
  4. de gekozen “standaardpopulatie” waarmee je vergelijkt, invloed kan hebben op de mate van het geboortemaand effect. Met andere woorden: ten opzichte van wat bepaal je of de verdeling van geboortedata scheef is of niet? Is dat de hele populatie van een land? De populatie binnen Europa? Of binnen de actief geregistreerde kinderen binnen een sport? Dit kan tot andere uitkomsten leiden.

 

Is het geboortemaand effect erg?

Ik denk dat we hier wel kort over kunnen zijn: ja, dat is het. Misschien zijn er nu mensen die iets denken in de trant van: “maar écht talent komt vroeg of laat toch wel boven drijven” of “de relatief jongere sporters komen er juist sterker uit”. Sorry, maar dat vind ik slappe excuses.

Waarom? Omdat ik het kader van talentherkenning en -ontwikkeling biases gewoon totaal ongewenst zijn. We streven naar eerlijke, gelijke kansen zodat ieder sportend kind zijn/haar potentieel kan ontwikkelen. Het geboortemaand effect helpt daar niet bij. Integendeel: relatief jonge sporters worden door het geboortemaand effect uitgesloten op basis van iets waar ze geen invloed op hebben, namelijk hun geboortedatum. Daarbij kan ik me ook niet voorstellen dat het alleen maar voordelig is voor relatief oudere kinderen. Want hoe goed wordt er écht gekeken naar hun talent? Hoe goed wordt gekeken naar alle andere aspecten van hun sportprestatie? In deze blog kan je bijvoorbeeld lezen hoe talentvolle sporters “te weinig” uitdaging kregen, juist omdat ze groot en sterk waren.

Veel onderzoekers zijn dan ook van mening dat het geboortemaand effect kan leiden tot “fouten” in het proces van talentherkenning en-ontwikkeling. Met fouten wordt bedoeld dat we potentiële talenten over het hoofd zien of kinderen “onterecht” als talentvol bestempelen. Dat kan je natuurlijk nooit helemaal voorkomen, maar met het geboortemaand effect worden dit soort fouten wel waarschijnlijker. Al met al kan het geboortemaand effect dus een grote invloed hebben op de ontwikkeling van een sporter.

 

Ja het is erg. Geen smoesjes. Punt uit.

 

De wetenschap over het geboortemaand effect

Goed, laten we verder gaan. Belangrijk om te realiseren is dat het geboortemaand effect niet per definitie altijd en overal bestaat. En gelukkig maar, want we zijn het in principe liever kwijt dan rijk. Maar hoe komt het dan tot stand? Om dat te begrijpen, is het tijd voor wat verdieping. Want als we hier iets aan willen doen en eerlijke kansen in de sport willen bewerkstelligen, moeten we het in de basis eerst goed begrijpen. Hoe kan het dat het geboortemaand effect bestaat? Of soms niet bestaat? Dit is waar de wetenschap naar het geboortemaand effect om de hoek komt kijken.

Het is ongeveer 35 jaar geleden dat de eerste publicatie rondom het geboortemaand effect verscheen. Sindsdien zijn er talloze artikelen, hoofdstukken, presentaties en columns over geschreven. Ook wint het geboortemaand effect steeds meer naamsbekendheid in de dagelijkse sportpraktijk. Kortom, we weten er van, we doen er onderzoek naar en we proberen het uit te bannen. Hoe gaat dat tot nu toe?

Om eerlijk te zijn, nog niet geweldig. De vele onderzoeken die naar het geboortemaand effect zijn gedaan, kunnen we zien als goed begin, maar vormen nog niet de oplossing. Om tot oplossingen te komen is volgens een aantal wetenschappers een theorie nodig om vanuit verder te werken. En die ontbreekt nog in veel onderzoeken.

Veel onderzoek is namelijk gedaan vanuit een a-theoretisch, crossectioneel en retrospectief perspectief. Het heeft eigenlijk gewoon (geïsoleerd) waargenomen wat er was, maar de hoe en waarom zijn nog een vraagteken. Verder werken vanuit een theoretisch model, moet voor beter begrip zorgen hoe het geboortemaand effect zowel de sportieve ontwikkeling en prestaties beïnvloedt.

 

Ondanks alle onderzoeken en discussies, zijn de hoe en waarom van het geboortemaand effect in veel gevallen nog steeds een vraagteken.

 

Het geboortemaand effect in een theoretisch jasje

Maar al die onderzoeken zijn zeker niet voor niets geweest. We weten nu namelijk wel één ding zeker: net als talent, kun je het geboortemaand effect niet los zien van de persoon, de taak en de omgeving. Want hoewel we soms net doen alsof het geboortemaand effect zich afspeelt in een labsetting, is dat natuurlijk niet zo. Het speelt zich af in de echte wereld en bestaat zonder dat wetenschappers zich er tegen aan bemoeien. Daarom is het belangrijk dat de theorie over het geboortemaand effect rekening houdt met kenmerken van de sporter, de omgeving waarin de sporter zich ontwikkelt en de sport zelf.

Om die reden stelden Nick Wattie en zijn collega’s (2014) voor om het geboortemaand effect eens te bekijken vanuit “Newell’s model of interacting constraints (1986)”. Vanuit dit raamwerk wordt het geboortemaand effect gezien als resultaat van de wisselwerking tussen verschillende constraints. Met constraints bedoelen we de grenzen en kenmerken die de mogelijkheden van een handeling beperken. In het model van Newell worden die constraints onderverdeeld in drie types:

  • Constraints vanuit het individu (structureel; lengte en gewicht; of functioneel; zoals motivatie)
  • Constraints vanuit de omgeving (weer, speelgrond, coach, ouders)
  • Constraints van de taak (doel van activiteit, spelregels, materiaal).

Laten we eens kijken waar ons dat brengt.

Individuele constraints

Als we kijken binnen de individuele grenzen en kenmerken van een sporter zijn er drie dingen die invloed hebben op het al dan niet bestaan van het geboortemaand effect.

(1) Geboortedatum

Zonder geboortedatum bestaat er geen relatie leeftijd of geboortemaand effect. Daarom is de eerste individuele factor – surprise, surprise – een sporter zijn/haar geboortedatum. Geboortedatum is een zogenaamde structurele randvoorwaarde omdat het niet verandert met de tijd. Je bent geboren op een bepaalde datum, en dat blijft je hele leven zo.

Als je je nu afvraagt of iemand zijn relatieve leeftijd dan ook een individueel kenmerk is, is het antwoord nee. Iemand zijn relatieve leeftijd is namelijk afhankelijk van een bepaald beleid ten aanzien van de indeling in leeftijdsgroepen. Het kan alleen ontstaan door de wisselwerking tussen geboortedatum en het “leeftijdsgroeperingsbeleid”. Relatieve leeftijd is dus afhankelijk van de omgeving en niet van het individu. Daarmee valt het dus niet onder de individuele constraints.

(2) Vroeg- of laatrijp zijn

De rol van (fysieke) rijping wordt verondersteld een grote invloed te hebben op het geboortemaand effect. Daarom is het vroeg- of laatrijp zijn een belangrijk, individueel kenmerk voor het geboortemaand effect.

Waarom dat zo belangrijk is, heeft te maken met de “maturation-selection hypothesis”. Deze stelt dat coaches en scouts eerder geneigd zijn sporters te selecteren die fysiek volwassener zijn ten opzichte van hun leeftijdsgenoten.

In de notendop draait het hier om: sporters die relatief jong zijn, zijn vaak minder groot, sterk en snel ten opzichte van kinderen die relatief ouder zijn. Omdat in de meeste sporten, groot, sterk en snel zijn als voordeel wordt gezien, worden de kinderen die relatief ouder zijn sneller opgemerkt als talent omdat ze vaak beter presteren.

De traditionele aanpak: focus op nu

De valkuil is echter dat fysieke kenmerken zoals groot, sterk en snel zijn tot ongeveer 16 jaar heel variabel zijn. Want zoals je in deze blog hebt kunnen lezen, kunnen zowel de timing als het tempo van groei en rijping behoorlijk verschillen tussen sporters. Toch willen we vaak talent al herkennen en selecteren voor die leeftijd. En op basis van wat doen we dat? Juist, op basis van die fysieke kenmerken. Het oordeel dat gevormd wordt, is dus meestal gebaseerd op kenmerken die snel veranderen. En dat is niet handig. Want wie nu relatief klein is, kan over 6 maanden de grootste van allemaal zijn. Je begrijpt nu vast hoe makkelijk het is om talent te missen.

Daarbij denk ik ook dat het geboortemaand effect voor relatief oudere kinderen die groot, snel en sterk zijn niet altijd zo voordelig is als het lijkt. Want hoe goed wordt er écht gekeken naar hun talent? Hoe goed wordt gekeken naar alle andere aspecten van hun prestatie? In deze blog kan je bijvoorbeeld lezen hoe talentvolle sporters “te weinig” uitdaging kregen, juist omdat ze groot en sterk waren.

 

Ik geloof dat de aanpak waarbij we kijken naar instabiele fysieke kenmerken en huidige prestaties voor niemand – ook niet voor relatief oudere sporters – op lange termijn optimaal is. Maar zolang we dit wel blijven doen, zal het geboortemaand effect niet verdwijnen.

 

Wetenschappelijke onderbouwing voor de maturation-selection hypothesis

Door met name die “maturiation-selection hypothesis” wordt het verschil tussen iemand zijn biologische leeftijd en chronologische leeftijd, dus een cruciale factor. Zo kwamen Lauren Sherar en haar collega’s in 2010 tot de volgende ontdekking. Maar liefst 90% van de ijshockeyspelers die werden geselecteerd in het competitieve team, behoorden tot de grootste en zwaarste spelers van hun leeftijdscategorie. Dat gold ook voor de relatief jonge spelers die waren geselecteerd. Met andere woorden: de spelers die ondanks hun “ongunstige” geboortedatum toch de selectie hadden behaald, waren fysiek gezien “volwassener”. Daarbij vonden ze ook dat met elke maand dat een speler “later” begon met zijn groeispurt, de kans met 17% afnam om geselecteerd te worden voor het team.

Natuurlijk betekent dit niet dat alle relatief oudere kinderen ook per definitie vroegrijp zijn, of dat alle relatief jongere kinderen per definitie laatrijp zijn. Rijping en relatieve leeftijd zijn namelijk niet hetzelfde en komen voort uit verschillende factoren. Relatiefe leeftijd ontstaat zoals eerder gezegd door de “cut-off date” en rijping door de wisselwerking van genen en omgevingsfactoren. Wel laat een onderzoek als deze zien, dat vroegrijp zijn als jeugdsporter een selectievoordeel kan zijn. Of dit op de lange termijn een blijvend voordeel is betreffende de ontwikkeling van een sporter, is echter niet zeker.

(3) Geslacht

Het derde individuele kenmerk dat invloed heeft op het geboortemaand effect is geslacht. Hoewel het geboortemaand effect met name in mannen is bestudeerd, lijkt het dat binnen de vrouwelijke sporters het geboortemaand effect minder consistent en heftig aanwezig is. Toch is het ook bij vrouwen in voetbal, ijshockey, zwemmen en handbal geconstateerd. Opvallend is dat bij de vrouwelijke sporters een nog onbekende randvoorwaarde een rol blijkt te spelen. Waar bij mannen het geboortemaand effect een lineaire trend lijkt te volgen, is het bij vrouwen non-lineair. Relatieve leeftijdseffecten lijken bij vrouwen complexer en meer variabel te zijn dan bij mannen.

geboortemaand effect

 

Constraints vanuit de taak

Om het bestaan van het geboortemaand effect te begrijpen, moeten we ook rekening houden met de invloed van specifieke grenzen en kenmerken die gebonden zijn aan de taak. Je kunt hierbij denken aan het type sport en het niveau van competitie. Zo wordt bijvoorbeeld aangenomen dat binnen sporten waar groot en sterk zijn positief samenhangt met selectie (zoals ijshockey en voetbal), het bestaan van het geboortemaand effect wordt gestimuleerd. Maar in artistieke sporten zoals turnen, ligt dit heel anders. Klein zijn kan daar een biomechanisch voordeel opleveren en in turnen wordt dan ook een relatief leeftijdseffect gezien dat de andere kant op werkt: een over representatie van relatief jongere sporters.

Hieruit blijkt dat het anticiperen op het geboortemaand effect heel moeilijk wordt als je niet expliciet de taak-specifieke kenmerken van een sport erkent. Je kunt hierbij denken aan de volgende factoren:

(1) Fysiek vereisten van de sport

In sporten waar het lichaamskenmerken als belangrijk wordt gezien (bijvoorbeeld groot zijn), worden waarschijnlijk sporters geselecteerd die groter zijn. Het is daarmee ook waarschijnlijker dat een selectievoordeel optreedt voor relatieve oudere sporters en dus een geboortemaand effect ontstaat. Dit kan dus ook gelden voor sporten waarin het juist belangrijk is om klein te zijn.

(2) Tactische vereisten van de sport

In sommige sporten creëert de aard van bepaalde taken een kans op tactisch voordeel. Bijvoorbeeld of iemand links- of rechtshandig speelt. Zo’n tactisch kenmerk kan een wisselwerking hebben met relatieve leeftijd en de invloed van het geboortemaand effect veranderen.

Voorbeeld

Door het kleine aantal linkshandige tennissers, zijn tennissers doorgaans meer gewend om te spelen tegen rechtshandige tegenstanders. Ze zijn daarom perceptueel minder gewend om snel te reageren op beweegpatronen, tactieken en oriëntaties van linkshandige spelers. Het resultaat is dat linkshandig zijn in tennis een voordeel kan opleveren. Sterker nog, het voordeel van linkshandig zijn overstijgt het voordeel van relatief ouder zijn. Binnen linkshandige spelers is er geen sprake van het geboortemaand effect, terwijl dat wel het geval is binnen rechtshandige spelers. Dit zien we ook terug in handbal.

(3) Competitie niveau van de sport

Verschillen tussen competitieniveaus vallen ook onder kenmerken van de sport. Zo blijkt dat over het algemeen het geboortemaand effect op hogere niveaus van competitie vaker en sterker voorkomt dan in bijvoorbeeld recreatieve niveaus van competitie. Een verklaring daarvoor is dat de selectiedruk op hogere niveaus van competitie hoger is en de kenmerken van de taak anders kunnen zijn. Zo kan bijvoorbeeld het fysieke component en lichaamscontact een “groter” aandeel hebben in de uiteindelijke prestatie.

(4) Speelpositie

Speelpositie is ook een factor die invloed kan hebben op het geboortemaand effect. Zo blijkt onder ijshockeykeepers een minder sterk geboortemaand effect te bestaan, terwijl in voetbal juist keepers en verdedigers een sterker geboortemaand effect hebben in vergelijking met aanvallers en middenvelders.

 

Constraints vanuit de omgeving

Last but not least spelen de grenzen en kenmerken vanuit de omgeving ook een belangrijke rol in het al dan niet ontstaan van een geboortemaand effect. Onderstaand drie factoren waarvan bekend is dat zij invloed hebben op het geboortemaand effect.

(1) Populariteit van een sport in een land of regio

De populariteit van een sport kan het geboortemaand effect beïnvloeden. De aanname is dat de kans op een geboortemaand effect groter is als de sport populair is.

(2) Beleidsvorming binnen de sport

Verschillende structuren rondom selectie en deelname kunnen mogelijk de ontwikkeling van het geboortemaand effect beperken of gevolgen afzwakken. Neem als voorbeeld American Football.

Als ik zou zeggen dat American Football dé sport is met het grootste geboortemaand effect, zou je me wellicht meteen geloven. Het is immers een sport waarbij veel snelheid komt kijken, veel botsingen zijn en waarin groot en sterk zijn belangrijke determinanten van succes zijn. Maar dat is niet zo. Sterker nog, er is zelfs geen sprake een geboortemaand effect. Hoe kan dat?

In vergelijking met ijshockey en voetbal is het beleid rondom jeugdsporters in American Football heel anders. Zo worden spelers tot in de late adolescentie geplaatst in leeftijdsgroepen én gewichtscategorieën. Als de grote verschillen in timing en tempo van groei en rijping uitdoven, komen spelers pas bij elkaar. Dit beleid wordt aangedragen om het geboortemaand effect te verminderen.

(3) Professionaliteit van de sport

Verschillen in de professionaliteit van de sport kunnen ook invloed hebben op het geboortemaand effect. Dit is vaak gebonden aan een bepaalde tijdspanne waarin de sport zich ontwikkeld. Zo bleek dat ruim 15 jaar geleden nog geen sprake was van het geboortemaand effect onder Canadese vrouwelijke ijshockeyspeelsters. Maar nu de sport een behoorlijke groei heeft doorgemaakt, meer deelnemers kent, populairder is geworden en een internationaal speelveld heeft, verschijnen ook daar geboortemaand effecten.

 

Hoe lossen we het geboortemaand effect op?

We willen natuurlijk allemaal het geboortemaand effect oplossen, of in ieder geval flink verminderen. Om dat te kunnen doen, is een nieuwe kijk nodig. Een perspectief vanuit een theorie en model waarbij de individuele kenmerken, omgevingskenmerken en kenmerken van de taak niet langer los van elkaar worden zien. Zolang we alles “geisoleerd” blijven bekijken, wordt het heel lastig om het geboortemaand effect uit te bannen.

Om een helder overzicht te geven, heb ik net de drie types constraints apart uitgelegd, maar de relevantie van ieder type kan eigenlijk niet afzonderlijk worden beschreven. Het wordt pas écht duidelijk hoe een geboortemaand effect ontstaat als je de wisselwerking tussen categorieën bekijkt. Voor we het geboortemaand effect kunnen oplossen, moeten we het beter begrijpen. En om het beter te begrijpen, moeten we erkennen dat er relaties tussen al die kenmerken (mogen) bestaan.

Zo kan relatieve leeftijd alleen bestaan vanuit een individueel kenmerk (geboortedatum) en een omgevingskenmerk (leeftijdsgroep).  En kijk naar het voorbeeld van linkshandigheid in tennis: of je links- of rechtshandig bent is natuurlijk een individueel kenmerk maar het zit in de aard van de sport of je speelhand relevant is voor de tennisprestatie.

 

Het wordt pas écht duidelijk hoe en waarom een geboortemaand effect ontstaat als je de wisselwerking tussen kenmerken bekijkt.

 

Waarom deze nieuwe kijk belangrijk is voor de sportpraktijk

Ik hoor je nu denken: ja, leuk maar wat heb ik er aan? Laat die theorie en dat model lekker aan de wetenschap over en val mij er verder niet mee lastig..

Ik begrijp je en ik vraag je ook niet om dit model te testen of door te ontwikkelen. Ik vraag je om het geboortemaand effect vanuit een ander perspectief te gaan bekijken. Waarom? Omdat op het moment, dat er wetenschappelijke onderbouwde oplossingen komen, dit niet one-size-fits-all oplossingen zullen zijn. Dat komt door al die wisselwerkingen die een rol spelen bij het geboortemaand effect.

Dat betekent dat om het geboortemaand effect in te perken en op te lossen, jij als trainer, coach of andere stakeholder in de sportpraktijk, niet alleen moet weten óf er sprake is van een geboortemaand effect, maar ook moet snappen hoe en waarom. Wat zijn de individuele, taak-specifieke en omgevingskenmerken die meespelen in jouw specifieke context? Alleen dan kun je de mogelijke oplossingen effectief gaan toepassen. En de kans is heel groot dat dit een combinatie gaat worden van oplossingen of dat de oplossingen per ontwikkelingsfase zullen verschillen.

 

Mogelijke oplossingen hebben alleen zin, als je begrijpt dat het geboortemaand effect voortkomt uit een wisselwerking tussen meerdere kenmerken.

 

Dit is wat je moet onthouden over het geboortemaand effect

In een volgende blog zal ik een aantal potentiële oplossingen met voors en tegens aandragen. Maar je zult zien dat elke keer wordt verwezen naar het geboortemaand effect vanuit deze nieuwe kijk. De eerste stap is daarom (denk ik) om zowel vanuit de wetenschap als de sportpraktijk, het geboortemaand effect vanuit een perspectief zoals hierboven staat beschreven te benaderen.

Voor nu hoop ik dat je dit meeneemt:

  • Het geboortemaand effect is voor iedere sportcontext uniek. Het bestaat dus niet altijd en overal maar is net als talent een dynamisch concept. Het komt tot stand door de wisselwerking van individuele kenmerken, omgevingskenmerken en taak-specifieke kenmerken en verandert over de tijd.
  • Daarom bestaat geen one-size-fits-all oplossing. Dit probleem vereist per sportcontext een eigen aanpak.
  • De grootste boosdoener achter het geboortemaand effect is onze eigen bias. Zolang de “maturation-selection hypothesis” stand houdt, zal het geboortemaand effect bestaan. Met andere woorden, als we instabiele fysieke kenmerken (zoals lengte, kracht en snelheid), zwaarder laten wegen dan technische, tactische en mentale vaardigheden, lossen we dit probleem niet op.

Vergeet een one-size-fits-all oplossing en begin met kijken naar de combinatie van taak, omgeving en individuele kenmerken in jouw unieke sportcontext. En laat die aandacht op instabiele fysieke kenmerken lekker thuis.

 

Wat kan je nu al doen?

Doe alvast een mini-analyse. Probeer eens uit te zoeken of er sprake is van een geboortemaand effect binnen jouw club. Bekijk de verdeling van geboortedata van de totaal actieve leden (tot en met bijvoorbeeld 22 jaar) en vergelijk dat eens met de verdeling van geboortedata in de selectieteams.

  • Analyseer dit voor jongens en meisjes apart
  • Bekijk dit per speelpositie / speelhand of ander sport-specifiek kenmerk

 

Wattie, Nick & Schorer, Jörg & Baker, Joe. (2014). The Relative Age Effect in Sport: A Developmental Systems Model. Sports medicine (Auckland, N.Z.). 45. 10.1007/s40279-014-0248-9.

Op de hoogte blijven wanneer een nieuwe blog online staat? Kijk dan even hier.

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email